Chirurgie (operatie)

Geen enkele ingreep is vrij van de kans op complicaties. De uitgebreidheid van de noodzakelijke longingreep en je  lichamelijke toestand voor de ingreep bepalen je risico op complicaties.

Nabloeding: De longen zijn verbonden met zeer grote bloedvaten. Schade hieraan na de ingreep kan  beperkt tot belangrijk bloedverlies geven en je kan tijdens of na de operatie een bloedtransfusie nodig hebben. 

Hartritmestoornissen: Tijdens en meestal onmiddellijk na de longingreep kunnen er hartritmestoornissen (meestal een abnormale versnelling van het polsritme) optreden. Deze kunnen perfect worden behandeld met het toedienen van ritme vertragende medicaties.

Verlengd luchtlek: Na het wegnemen van een deel van de long wordt, op het einde van de ingreep, een thoraxdrain geplaatst.  Zo kan het achtergebleven longweefsel zich goed opnieuw ontplooien en ontstaat er geen dichtgeklapte long. De drains worden meestal 3 tot 5 dagen na de ingreep verwijderd. Een luchtlekkage kan uitzonderlijk langer duren. 
 
Zenuwbeschadiging bij het wegnemen van de long of een deel er van: kan heesheid geven welke in zeldzame gevallen blijvend kan zijn.

Longinfectie: Een longinfectie ontstaat door het moeilijk ophoesten van slijmen. Dit wordt behandeld met medicatie en ademhalingstherapie.
Door het slecht ophoesten van de slijmen kan een slijmprop ontstaan waardoor het resterende longweefsel onvoldoende ademt en atelectase (dichtklappen van de long) veroorzaakt. Na het verwijderen (via bronchoscopie) van deze slijmprop kan de long opnieuw ademen.