Chemotherapie

Om de 2 tot 3 cycli wordt de evolutie van de ziekte beoordeeld, aan de hand van beelden (bijv. CT-scan, thoraxradiografie) of bloedresultaten (tumormerkers).

Dit zal mee bepalen hoeveel cycli er in totaal gegeven worden. Elke 6 tot 9 weken wordt dus op basis van het klinisch en het radiologisch onderzoek een tumorrespons bepaald: de CT scan of  thoraxradiografie van de start van de chemotherapie wordt vergeleken met een nieuwe scan of longfoto. Zo kan er aan de hand van duidelijke internationaal vastgestelde criteria worden vastgesteld of er een verkleining (‘regressie’) van de tumor, een tumorstabilisatie of verdere tumorgroei (‘progressie’) is opgetreden. Afhankelijk van deze evaluatie en in combinatie met de bloedresultaten en nevenwerkingen wordt er dan beslist om verder te gaan met dezelfde chemotherapie dan wel om de behandeling bij te sturen.