Woordenboek

In deze rubriek vindt U een verklarende tekst over enkele courante medische termen die in deze website worden vermeld.
Activerende mutatie: een groeireceptor zoals de EGF-receptor geeft veel te veel groeisignalen af en de cellen blijven zich vermenigvuldigen. Zolang dit groeisignaal wordt doorgegeven, blijft een tumor groeien.
Adenocarcinoom: carcinoom dat bestaat uit klierweefselstructuren.
Adjuvante chemotherapie: chemotherapie die wordt gegeven na de operatie.
Anamnese:  nagaan van de voorgeschiedenis en de relevante omstandigheden van een ziek(t)e.
Anemie (bloedarmoede): tekort aan rode bloedcellen, die instaan voor het transport van zuurstof via het bloed naar de weefsels. Dit tekort kan leiden tot moeheid, kortademigheid, duizeligheid e.d.
Anatomopathologie (pathologische ontleedkunde): microscopisch onderzoek van een stukje weefsel (biopsie) uit de tumor om de aard (kwaadaardig of niet) en het precieze type van het gezwel te bepalen.
Beeldvorming: voorstellen of in beeld brengen van te onderzoeken organen met behulp van röntgenstralen (radiologie), ultrasone geluidsgolven (echografie), magnetische velden (NMR), of radioactieve stoffen (radio-isotopen, nucleaire geneeskunde) .
Biopsie: wegnemen van een stukje weefsel uit de tumor voor anatomopathologie.
Botscan (skeletscan): nucleair-geneeskundig onderzoek waarbij een kleine hoeveelheid radioactieve stof (radio-isotoop), die zich in de beenderen kan fixeren, wordt ingespoten. Na een drietal uur laat dit toe met een specifieke scan (isotopen camera) haarden van abnormale beenderombouw in het skelet op te sporen (o.a. litteken na een breuk, maar ook bijv. uitzaaiing in het beenderstelsel).
Brachytherapie: inbrengen van radioactieve stoffen in of tegen de tumor om lokaal een zeer hoge stralingsdosis te geven.
Bronchi: luchtwegvertakkingen of bronchi (enkelvoud: bronchus) zijn luchtwegen die zich in grootte tussen de luchtpijp (trachea) en bronchioli (kleinere luchtwegen) bevinden.
Bronchoscopie (endoscopie van de luchtwegen): onderzoek waarbij onder plaatselijke verdoving van de keel een flexibel kijkbuisje in de luchtwegen wordt gebracht, waardoor de longarts een tumor in de grote luchtwegen kan opsporen en biopsies ervan kan nemen.
Carcinoom: maligne (kwaadaardige) woekering van epitheelcellen (cellen die aan de oppervlakte liggen van huid en slijmvliezen).
CEA: tumormarker die o.a. gevonden wordt bij patiënten met een niet kleincellige longkanker. De hoogte van de CEA waarde zegt iets over de prognose van de ziekte en kan daarnaast ook worden gebruikt om het ziekteproces en de respons op de behandeling te volgen
Chemotherapie: systemische of algemene behandeling waarbij de tumorcellen door gebruik van celdodende medicatie vernietigd of in hun groei vertraagd worden.
Chirurgie (heelkunde): lokale behandeling waarbij de tumor tijdens een operatie verwijderd wordt. Deze behandeling wordt enkel voorgesteld als men verwacht dat de longtumor volledig zal kunnen verwijderd worden.
Clinical Trial Unit (Klinisch Onderzoek Eenheid): afdeling waarin artsen, verpleegkundigen en andere onderzoekers samen het Klinisch Onderzoek sturen.
Clubbing: vervorming van de vingers en nagels (trommelstokvingers)
CT-scan (computertomografie scan): toestel dat met röntgenstralen van een deel van het lichaam (bijv. de borstkas) doorsneden maakt, die daarna met een computer in fotografische doorsneden van dit lichaamsdeel worden omgezet. Deze opnames geven een gedetailleerd beeld van de tumor waarop de uitgebreidheid of de evolutie onder behandeling kan worden nagegaan.
Cyclus: behandelingsperiode.
Cytologie: Cytologisch onderzoek op de soort cellen die bekomen worden  uit lichaamsvochten, uitstrijken van slijmvliesoppervlakken of punctaten waarin zich geïsoleerde cellen of celgroepen bevinden.
Echocardiografie: beeldvorming van de hartkamers en hartklepbewegingen door middel van ultrasone geluidsgolven.

Echo-bronchoscopie - EBUS (Endobronchial Ultra Sound, echografie via de luchtwegen): met behulp van een echo-endoscoop - een flexibel kijkbuisje met op het uiteinde daarvan een echosonde - worden lymfeklieren die gelegen zijn rond de luchtwegen gelokaliseerd en met een dunne naald aangeprikt. Celmateriaal aldus verkregen wordt vervolgens microscopisch onderzocht om aantasting van lymfeklieren te beoordelen.
Echo-oesofagoscopie - EUS (Oesophageal Ultra Sound, echografie via de slokdarm):  met behulp van een echo-endoscoop - een flexibel kijkbuisje met op het uiteinde daarvan een echosonde - worden lymfeklieren of structuren die gelegen zijn tussen de longen gelokaliseerd en beoordeeld. Klieren kunnen met een dunne naald worden aangeprikt, en celmateriaal aldus verkregen wordt vervolgens microscopisch onderzocht om aantasting van lymfeklieren te beoordelen.
Echografie: beeldvorming van de ligging, de samenstelling en de eventuele afwijkingen van inwendige organen door middel van ultrasone geluidsgolven.
EGF-RECEPTOR zit als een ontvanger op de cel. Deze ontvanger is gevoelig voor stimulerende groeifactoren. Een longcel krijgt van de EGF-receptor een signaal om zich te vermenigvuldigen.

EGFR mutatie: een mutatie van de EGF-receptor.
Elektrocardiogram (ECG): meting van de elektrische stroom geproduceerd door het hart. Verandering in deze stromen geeft informatie over het ritme en de werking van het hart.
EML4-ALK: een mutatie aanwezig in <5% van de adenocarcinomen.
Endobronchiaal: binnen in de luchtweg.
Endoscopie: onderzoek van de lichaamsholten door middel van inbrengen een flexibel kijkbuisje, meestal onder plaatselijke verdoving.
Epitheloid type: kanker met cellen die gelijken op een epitheel (beschermende laag van weefsel) dat bepaalde organen omringt. 
Functionele cardiopulmonale evaluatie: het beoordelen van de hart- en longcapaciteit door middel van specifieke testen, bijv. als voorbereiding van een operatie.
Gerandomiseerd: willekeurig ingedeeld of gekozen, bij toeval bij een bepaalde groep ingedeeld.
Geselecteerd: voldoen aan gestelde criteria
Grootcellig carcinoom: behoort tot de groep van de niet-kleincellige longcarcinomen. De woekerende cellen lijken niet op plaveiselcellen en ook niet op cellen van het adenoïde type.
Immunohistochemie: verwijst naar de techniek van het lokaliseren van antigenen in biologische weefsels.
Inductie chemotherapie: neo-adjuvante chemotherapie of chemotherapie voorafgaand aan chirurgie of radiotherapie
Informed consent: vrijwillig verkregen toestemmingsverklaring voor deelname aan een studie of interventieprogramma. Essentiële criteria voor een  informed consent zijn: kennis en begrip van de studie of het interventieprogramma, onbeïnvloed verlenen van de toestemming, op elk moment recht op intrekken van de toestemming.
Kleincellig carcinoom gaat uit van het epitheel en is meestal centraal gelokaliseerd binnen de long. Er worden vaak para-neoplastische syndromen waargenomen.
Klinisch-wetenschappelijk onderzoek: onderzoek van nieuwe diagnose technieken of systemen van behandeling, die mogelijk de vooruitzichten van patiënten met longtumoren kunnen verbeteren.
Koolstofdioxide: ook CO2, kooldioxide of koolzuurgas genoemd, is een kleurloos en reukloos gas dat van nature in de atmosfeer voorkomt.
kRAS een oncogen dat de cel aanzet tot snellere deling of de cel remt in het plegen van apoptose (geprogrammeerde celdood).
Leukopenie: daling van de witte bloedcellen, waardoor een verhoogde vatbaarheid voor infecties, zoals bijv. longontsteking of bronchitis, ontstaat.
LLCG: Leuven Lung Cancer Group
Lobectomie: operatie waarbij één longkwab wordt weggenomen. Rechts bestaat de long uit drie kwabben, links uit twee.
Longembool: bloedklonter in de longen.
Longfunctie: testen waarbij door blazen in een toestel de longvolumes en de zuurstofopname capaciteit van de longen worden bepaald. Dit geeft een idee van de long reserve, wat van belang is bij behandelingen zoals chirurgie of radiotherapie.
Maintenance:  onderhoudsbehandeling.
Mediastinum: ruimte in de borstkas gelegen tussen de beide longen, waarin zich o.a. de centrale luchtpijp (trachea), de slokdarm, lymfeklieren, bloedvaten en zenuwen bevinden.
Mediastinoscopie: heelkundig onderzoek waarbij onder algemene verdoving een starre kijkbuis in het mediastinum wordt gebracht, waardoor de chirurg uitzaaiingen van de longtumor in de klieren aan de uitgang van de long kan opsporen en biopsies ervan kan nemen.
Mesothelioom: kwaadaardige aandoening van de longvliezen of pleurabladen.
Metastasen (uitzaaiingen): neerzetting van kwaadaardige cellen op een andere plaats dan deze waar de tumor ontstaan is.
Moleculair-biologische therapie: systemische of algemene behandeling waarbij de tumorcellen, door gebruik van medicaties die ingrijpen in één of meerdere schakels van de cel controlesystemen (groei, celdeling, beweging, bloedaanvoer of tendens naar uitzaaiing) vernietigd of in hun groei vertraagd worden.
Moleculaire analyse: een onderzoek naar oncogenen.

Mutatie: wijziging in het erfelijk materiaal (DNA) van een cel.
Neutropenie: daling van één bepaalde soort witte bloedcellen, waardoor een verhoogde vatbaarheid voor infecties, vooral door bacteriën, ontstaat.
NMR-scan (nucleaire magnetische resonantie scan): maakt zoals de CT-scan beelden van een deel van het lichaam (bijv. de borstkas). Er wordt echter een magnetisch veld gebruikt i.p.v. röntgenstralen. Ook hier worden daarna met een computer fotografische doorsneden van dit lichaamsdeel in alle vlakken gemaakt. Deze opnames geven een gedetailleerd beeld van de tumor waarop de uitgebreidheid of de evolutie onder behandeling kan worden nagegaan. In bepaalde gevallen kan de NMR-scan een aanvulling zijn op de meer courante CT-scan.
NSCLC: niet kleincellige longkanker
NSE: een tumormarker die o.a. gevonden wordt  bij patiënten met een kleincellige longkanker. Meting van het NSE kan informatie geven over de de ziekte en over de respons op de behandeling.
Onderzoeksbehandeling: behandeling met een nog niet geregistreerd product.
Paraneoplastisch syndroom: ontstaan van ziekteverschijnselen door hormonale veranderingen en stofwisseling veranderingen, die door een tumor (kankergezwel) worden aangestuurd.
Perfusiescintigrafie: nucleair-geneeskundig onderzoek waarbij de longbloedvaten worden in beeld gebracht na het inspuiten van een kleine hoeveelheid specifieke radioactieve stof of radio-isotoop in de bloedbaan. Dit onderzoek wordt o.a. gebruikt om longembool (bloedklonter in de longbloedvaten) op te sporen, of om na te gaan hoeveel de rechter respectievelijk linker long bijdraagt in de totale longwerking. Dit laatste kan van belang zijn in de functionele cardiopulmonale evaluatie.
PET CT-scan: Een PET-scan geeft inzicht in de werking van de weefsels en organen.
Een CT-scan belicht de structuur van de weefsels en organen.
PET-scan (positron emissie tomografie scan): nucleair-geneeskundig onderzoek waarbij een kleine hoeveelheid radioactieve stof (radio-isotoop), die zich in kwaadaardig weefsel kan fixeren, wordt ingespoten. Op die manier geeft de PET-scan een gedetailleerd beeld van zones van verhoogde celdeling in het lichaam (vooral tumoren, maar ook soms ontstekingen).
Plaveiselcel carcinoom: carcinoom uitgaande van plaveiselcellen (platte cellen), een bepaald type epitheelcel.
Pleura (borstvlies): vlies dat zowel de binnenzijde van de borstkaswand als de long zelf bekleedt (binnenste en buitenste longvlies of pleurablad).
Pleurapunctie: inbrengen van een naald in de pleuraholte (de ruimte tussen de twee pleurabladen) na plaatselijke verdoving van de huid. Op die manier kan vocht dat zich in pleuraholte bevindt worden bekomen voor laboratorium onderzoek.
Pleurectomie: verwijderen van de buitenste laag van het longvlies (pleura).
Pleuroscopie (thoracoscopie): ingreep onder plaatselijke of algemene verdoving. Na het maken van een kleine opening in de borstkaswand tussen twee ribben wordt een starre kijkbuis in de pleuraholte gebracht, waarbij de arts kan onderzoeken of er uitzaaiing van de tumor op de longvliezen aanwezig is, en hiervan biopsies kan nemen.
Pneumectomie: operatie waarbij een ganse long wordt weggenomen.
Pneumo-oncologie (REO, respiratoire oncologie): specialisme dat zich toelegt op alle aspecten van de zorg voor patiënten met respiratoire tumoren (longtumoren, longvliestumoren).
Poortkatheter: bestaat uit 2 delen namelijk een toegangspoort en een katheter. Het geheel wordt onderhuids ingeplant. De toegangspoort bestaat uit titanium en is voorzien van een zelfsluitend siliconen membraam. Vanuit de poort vertrekt een soepele katheter waarvan het uiteinde in een bloedvat (ader) wordt gebracht. Door middel van een naald wordt de poort aangeprikt.
Punctiebiopsie: techniek waarbij na lokale verdoving van de huid een biopsienaald tot in een letsel wordt geschoven om een biopsie ervan te verkrijgen (bijv. in de long of de lever). Dit gebeurt veelal onder geleide van beeldvorming zoals doorlichting, CT-scan of echografie.
Radio-isotoop: kunstmatig radioactief gemaakte chemische stof die gebruikt wordt in de diagnostiek en behandeling van kanker.
Radiotherapie (bestraling): lokale behandeling waarbij de tumorcellen door gebruik van hoogenergetische stralen vernietigd of in hun groei vertraagd worden.
REO (Respiratoire Oncologie): specialisme dat zich toelegt op alle aspecten van de zorg voor patiënten met respiratoire tumoren (longtumoren, longvliestumoren).
Rookstopkliniek: is een geïndividualiseerd rookstop programma, onder leiding van een pneumoloog en een psychologe, dat aangeboden wordt aan personen die wensen te stoppen met roken.
RX-thorax: röntgenfoto van de longen.
Sarcomateus type: kanker met cellen die gelijken op een sarcoom (een kanker die ontstaat uit bindweefselcellen). 
SCLC: kleincellige longkanker
Segmentectomie: chirurgisch verwijderen van een klein deel van de long
Simulatie: proefbestraling waarbij wordt nagegaan of de echte bestraling nadien zal toegediend worden aan het juiste deel van het lichaam, precies waar de tumor gelegen is.
Spiroergometrie: meten van de longcapaciteit en het zuurstofverbruik in rust en tijdens inspanning op een fiets. Dit geeft een nog beter idee van de long reserve dan de klassieke longfunctie in rust.
Sputum: het slijm dat, vermengd met speeksel, uit de diepe luchtwegen wordt opgehoest in geval van een luchtweginfectie, tumor...
Stadiumbepaling (stadiëring): bepalen van de uitgebreidheid van de ziekte door middel van verschillende onderzoeken zoals lichamelijk onderzoek, endoscopie of beeldvorming.
Stereotactische radiotherapie is een vorm van precisiebestraling.  Het principe van stereotactische radiotherapie berust op de grote nauwkeurigheid waarmee de afwijking bestraald kan worden. Het gevolg is dat de stralenbelasting van het direct aangrenzende normale weefsel tot een minimum wordt beperkt.
Systemische behandeling: behandeling die het hele lichaam bereikt en zo een systemisch effect heeft.
Tabakoloog:  rookstopbegeleider
Talkage: plakken van de longvliezen (pleurodese) door een stof(talk) via een drain in te spuiten.
Thorax (borstkas): deel van het lichaam waarin het hart en de longen zich bevinden, omgeven door de beschermende borstkaswand.
Thoraxheelkunde: specialisme dat zich toelegt op de chirurgische aspecten van de zorg voor patiënten met o.a. respiratoire tumoren (longtumoren, longvliestumoren).
Thoracotomie: ingreep waarbij de borstkas geopend wordt, meestal via een insnede tussen twee ribben, waarbij de organen in de borstkas kunnen bereikt worden voor heelkunde zoals lobectomie of pneumectomie.
Thrombo(cyto)penie: daling van het aantal bloedplaatjes (thrombocyten) waardoor een verhoogde bloedingtendens kan ontstaan.
Tolerantie: het kunnen verdragen van de voorgeschreven behandeling.
Trachea: luchtpijp
TUMOR SUPRESSOR GEN: voorkomt onbeperkte deling van de cel
Tumormarker (of tumormerker) is een bepaalde stof die in het bloed voorkomt bij kanker. De tumormarkers worden vooral gebruikt voor het opvolgen van de kanker bij een patiënt. Als voor én na de behandeling de tumormarker gemeten wordt, kan beoordeeld worden of de behandeling effect heeft / heeft gehad.
Tumoroncogenen: Om daadwerkelijk een kankercel te verkrijgen moeten er mutaties optreden in bepaalde genen, tumoroncogenen, die betrokken zijn bij het reguleren van de celdeling.
VATS: video-geassisteerde thoracale chirurgie
WEEFSELTYPERING: onderzoek dat tot doel heeft de tumorcellen te identificieren.
Zorgprogramma: samenwerkingsverband tussen artsen van diverse specialismen en paramedici met als doel een optimale zorg te bieden voor alle aspecten van patiënten met respiratoire tumoren, zoals het geheel van de onderzoeken en de diverse fasen van de behandeling.